In deze raamvertelling reist de Berlijnse archeologe Nina naar Sicilië waar een voormalige studievriend een Duits vliegtuigwrak uit de Tweede Wereldoorlog probeert te bergen. Op de passagierslijst vindt ze haar verloren gewaande grootvader Moritz terug. Ook raakt ze in gesprek met Joëlle, een oudere vrouw uit Haïfa. Zij beweert de dochter van Moritz te zijn. Hij was in 1942 als cameraman bij het Duitse leger in Tunis ingezet. Tot de Tweede Wereldoorlog was Tunis een smeltkroes van culturen en religies: Joden, christenen en moslims leefden er samen in de wijk 'Piccola Sicilia'. Deze samenleving ondervond desastreuze consequenties van de Duitse bezetting. De dramatische geschiedenis van Moritz wordt verteld vanuit het gezichtspunt van de Joodse familie waarmee hij door zijn moed en menselijkheid op een bijzondere manier verbonden raakt. In afwisselende hoofdstukken vervlechten zich langzamerhand de levensgeschiedenissen van Nina en Moritz. Het verhaal heeft een open einde. De auteur, in 1969 in München geboren, studeerde filmgeschiedenis.