Raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt werd op 13 mei 1619 wegens hoogverraad onthoofd op het Binnenhof. Na de executie werd zijn lichaam overgebracht naar de grafkelder van de Hofkapel. De familie wilde hem graag een waardig graf geven, maar dit werd uit vrees voor het ontstaan van een bedevaartsoord geweigerd. Sindsdien zijn er geruchten dat het lichaam heimelijk elders is herbegraven. Rondom dit thema schreef de auteur (1950) zijn romandebuut. Verteller is de schoonzoon van Van Oldenbarnevelt, Cornelis van der Mijle. Tien jaar na de dood van de raadspensionaris is hij in afwachting van een afspraak die zal leiden tot de overbrenging van het lichaam naar Amersfoort. Op een denkbeeldige wandeling door Den Haag overziet hij momenten uit de carrière en het strafproces van zijn schoonvader. Daarna volgt een spannende tocht, waarbij bandieten de actie in gevaar brengen. Anders dan in het recente boek van Nicolaas Matsier, 'De advocaat van Holland'*, bevat deze roman veel uitleg en feiten, waardoor de balans naar non-fictie lijkt om te slaan. Met kaart, stamboom en lijst van personen.
*2018-27-3101 (2019/11).